4 mythes over ontwikkelingssamenwerking ontkracht
‘Geld naar ontwikkelingssamenwerking? Daar zitten Nederlanders helemaal niet op te wachten. Alles blijft toch maar plakken aan die strijkstok van hulporganisaties.’ Niet de letterlijke woorden van minister Klever van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, maar haar besluit om gigantisch te bezuinigen komt er wel op neer. We ontkrachten haar uitspraken en meer mythes rondom ons werk – om jou ervan te overtuigen: ontwikkelingssamenwerking werkt. Echt.

Mythe 1: Nederlanders willen geen ontwikkelingssamenwerking
“Het draagvlak voor ontwikkelingshulp en ngo’s is veel minder geworden.” (Minister Klever in de Telegraaf, 11 november)
Interessant, mevrouw Klever. Want een dag na deze uitspraak publiceerde het CBF, de onafhankelijke toezichthouder voor goede doelen, cijfers die laten zien dat het wel goed zit met dat draagvlak. In 2022 waren er ruim 4 miljoen donateurs verbonden aan ontwikkelingsorganisaties, met een gemiddelde bijdrage van €150 per jaar per donateur. 45% van de Nederlanders doet vrijwilligerswerk. ‘Deze betrokkenheid onderstreept het draagvlak en de steun vanuit de Nederlandse samenleving,’ schrijft het CBF hierover. Ook interessant: alleen wij als Oxfam Novib hebben al meer supporters dan alle politieke partijen - bij elkaar! - leden hebben.
Niet alleen geven Nederlanders zelf gul: ook vinden ze dat er minimaal 1,1% van het Bruto Nationaal Inkomen besteed moet worden aan ontwikkelingssamenwerking, blijkt uit nieuw onderzoek van Motivaction. Opvallend genoeg dénken we dat dit een conservatief percentage is: de meeste Nederlanders denken dat onze regering minimaal 5% uitgeeft aan ontwikkelingshulp. In werkelijkheid is dat zelfs minder dan de 0,7% die rijke landen samen hebben afgesproken.
Mythe 2: Het geld komt niet goed terecht
Er blijft te veel aan de strijkstok plakken van grote ngo’s, het geld moet naar lokale organisaties.
Een veelgehoorde mythe die ook minister Klever inzet als argument om flink te korten op subsidies voor ngo’s (niet-gouvernementele organisaties). Over de strijkstok zegt het CBF: ‘Organisaties in ontwikkelingssamenwerking besteden gemiddeld 90,4% van hun middelen direct aan hun doelen, wat een hoog percentage is ten opzichte van andere sectoren. Dit wijst op een effectieve toewijzing van middelen naar het gestelde doel.’ In ons geval gaat 94% van onze inkomsten direct naar ons doel: gelijkheid wereldwijd.
Begrijp ons niet verkeerd: wij vinden dat ontwikkelingshulp eindig is. We helpen met het bouwen van een sterk sociaal contract zodat landen zelfredzaam worden met een goed bestuur en eigen inkomsten om hun uitdagingen aan te pakken en voor ál hun mensen te zorgen. Maar voor tientallen landen is het nog niet zo ver. Zij kampen bijvoorbeeld met extreme armoede, voedseltekorten en de gevolgen van klimaatverandering. Wanneer Nederland investeert in ontwikkelingssamenwerking met een sterke langetermijnvisie, kunnen we samen de structurele oorzaken van deze problemen aanpakken.
We zien dat als morele plicht, van mens tot mens, maar ook als onze historische verantwoordelijkheid. Want onder meer kolonialisme heeft ervoor gezorgd dat landen zoals wij zo rijk konden worden – ten koste van gekoloniseerde landen. En het zijn de rijke landen die verantwoordelijk zijn voor de klimaatverandering waar gekoloniseerde landen nu de keiharde gevolgen van voelen.
Net als de minister vinden wij wél dat er meer geld moet naar lokale organisaties en gemeenschappen. Onze partnerorganisaties nemen dan ook steeds vaker de leiding, en we investeren in fondsen waarmee we bijvoorbeeld ondernemers en kleine bedrijven ondersteunen. Maar we dragen meer bij dan geld: kennis, expertise en een netwerk. Zo werken wij op regionaal niveau – wat heel effectief is, want de uitdagingen waar veel landen mee kampen houden zich niet aan landsgrenzen. Bovendien werken we samen met honderden organisaties wereldwijd, wat cruciaal is bij het oplossen van ingewikkelde, internationale kwesties.
Mythe 3: ga waterputten slaan, geen beleid beïnvloeden
Want dienstverlening is beter dan lobby.
Over die “bemoeienis” van ons met de politiek: daar is minister Klever niet over te spreken. Zij wil vooral investeren in programma’s die inzetten op dienstverlening - denk aan klassiekers als het slaan van waterputten en het geven van voedselhulp - in plaats van programma’s die zich bezighouden met lobby en beleidsbeïnvloeding.
Maar onderzoek laat juist zien dat een combinatie van lobby en dienstverlening cruciaal is om echt een verschil te maken. Neem die waterputten. Ja, het slaan van een waterput levert op korte termijn water op voor de gemeenschap. Maar wat als die leeg raakt? Wie zorgt voor goed waterbeleid, zodat er water beschikbaar blijft? Wie zorgt dat er oog is voor kwetsbare groepen voor wie zo’n put lastig te bereiken is? En wie blijft deze kritische vragen stellen? Dat is voor sommige gemarginaliseerde groepen onmogelijk in hun eigen land, terwijl zij (en wij) regionaal en internationaal hun overheid wel tot de orde kunnen roepen.
Of neem ons werk rond belastingontwijking. Een grensoverschrijdend probleem, waarbij multinationals winsten uit arme landen doorsluizen naar belastingparadijzen (zoals Nederland!), waardoor die landen de inkomsten mislopen die ze hard nodig hebben voor zorg of onderwijs. Door wereldwijd te lobbyen voor een eerlijker belastingsysteem, pakken we armoede bij de wortel aan.
Kortom: alleen door ook met politici in gesprek te gaan, kritische vragen te stellen of druk op te voeren, nationaal én internationaal, zorgen we voor blijvende oplossingen. Je richten op alleen dienstverlening is dweilen met de kraan open. Meer over waarom wij ons met de politiek bemoeien lees je hier.
Mythe 4: Je kunt beter in bedrijven investeren dan in ngo’s
Minister Klever wil ontwikkelingshulp meer koppelen aan handel om zo kansen te creëren voor Nederlandse ondernemers. Maar het risico is groot dat onze bedrijven daar meer van profiteren dan de mensen daar. Ontwikkelingsimpact maken is niet het doel van bedrijven en kan belemmerd worden doordat aandeelhouders vooral winst willen maken, schrijft Partos, de brancheorganisatie voor ontwikkelingssamenwerking. Ook vergt het maken van echte impact vaak een langetermijnaanpak, wat niet per se past bij het snelle bedrijfsleven. Bovendien hebben bedrijven vaak weinig interesse om in de allerarmste landen te investeren, omdat daar niet veel voor ze te halen valt.
Natuurlijk is handel belangrijk: het zorgt voor economische groei, banen en zorgt dat landen kunnen investeren in diensten als onderwijs en zorg. Maar niet iedereen in de samenleving profiteert vanzelf van die economische groei. Het kan de ongelijkheid zelfs vergroten wanneer overheden zich niet actief inzetten om te zorgen dat ook de armsten er beter van worden. Daarom ondersteunen wij bijvoorbeeld partners in kwetsbare landen om transparantie te eisen over de uitgaven van hun overheid, en verantwoording over budgetten waar lokale of nationale overheden over beslissen. Ook zetten we onze kennis en expertise in om handels- en belastingverdragen te helpen versterken. En we steunen ondernemers en het midden-en kleinbedrijf in kwetsbare landen, want juist zij zijn de motor waarop de economie draait – niet Nederlandse bedrijven.
Ons werk in actie: 4 succesverhalen
Geloof ons niet op ons woord: we laten ons werk graag voor zich spreken.
Partners leidend bij humanitaire hulp in Oekraïne
In Oekraïne hebben we samen met 43 partnerorganisaties ruim 2 miljoen mensen kunnen bereiken met onder meer onderdak, eten en drinken, psychosociale steun en de opvang van gevluchte mensen in buurlanden.
Daarbij zijn onze partners, die de gemeenschap en de context goed kennen én die er al werkzaam zijn, leidend: een groot deel van de financiering ging rechtstreeks naar hen. Maar in plaats van alle risico’s bij hen neer te leggen, delen we die. En waar onze partners minder ervaring hebben met humanitair werk, bieden we technische ondersteuning. Juist de samenwerking is hierbij dus cruciaal. Meer over onze hulp in Oekraïne lees je hier.

Samenwerking maakt het verschil
Landrechten voor vrouwen in Tsjaad
Land is een bron van leven, van inkomsten, van macht. Maar in het Centraal-Afrikaanse Tsjaad is landbezit ook een bron van ongelijkheid. Formeel recht op land en gewoonterecht overlappen, waarbij vooral vrouwen er slecht vanaf komen - zeker ten opzichte van rijke investeerders. Grote stukken land worden bovendien aangetast door klimaatverandering, waardoor schaarste en conflicten ontstaan rond natuurlijke hulpbronnen. Het project Land-at-scale, gefinancieerd door de Nederlandse overheid, steunt onder meer Oxfam, vrouwenorganisaties en boeren- en nomadenorganisaties in hun strijd voor eerlijk landbestuur.
Een rechtvaardig belastingsysteem

Virginia strijdt in Nigeria voor eerlijke belastingen
Belasting betalen: leuk is het niet, maar we weten waarvoor we het doen. Met ons belastinggeld kan de overheid zorgen voor scholen, openbaar vervoer en ziekenhuizen. Maar wat als een overheid dat niet doet, zoals in Nigeria? Dan komen vrouwen als Virginia en Ebere in actie.
Lees haar verhaalGoede zorg voor mensen met een beperking, dankzij onderzoek en lobby
Vrouwen met een beperking lopen in Jordanië tegen vooroordelen en discriminatie aan. Een resultaat daarvan is dat er weinig tot geen aandacht is voor de specifieke uitdagingen waar zij tegenaanlopen rondom bevallen. Tijdens de bevalling worden er beslissingen gemaakt zonder hen erbij te betrekken, medisch personeel weet niet hoe ze met beperkingen om moeten gaan, in ziekenhuizen ontbreekt het juiste materiaal.
Om dit probleem aan te pakken zijn jongeren met een beperking zelf in actie gekomen. Via ons programma rond seksuele en reproductieve rechten leerden zij hoe ze succesvol kunnen lobbyen op dit onderwerp. Vervolgens namen ze de leiding in een onderzoek, waaruit bleek dat de ziekenhuiszorg voor vrouwen met een beperking zwaar ondermaats was. In het rapport adviseerden ze dat iedere provincie minstens 2 bedden beschikbaar moeten hebben voor mensen met een beperking, die gebruikt kunnen worden voor bevallingen, operaties en onderzoeken.
Met dit rapport onder de arm startten de activisten een campagne om het beleid te beïnvloeden. En met succes! De overheid nam hun aanbevelingen rond ziekenhuisnormen over, en twee private ziekenhuizen stelden bedden beschikbaar.
Niet in elk land is het even makkelijk om je uit te spreken, zeker niet als het over onderwerpen gaat die in die samenleving gevoelig liggen. Juist daarom is dit zo’n groot succes. Bovendien laat het zien hoe internationale organisaties een belangrijke bijdrage kunnen leveren als het gaat om het beïnvloeden van beleid.

Mensen met een beperking moeten de kans krijgen om hun leven ten volste te leven en veilig een gezin te starten.
Meer argumenten voor een stevig ontwikkelingsbeleid?
- Meer over waarom ngo’s een belangrijke rol spelen én wat Nederland daar zelf aan heeft, lees je hier.
- Meer feiten en fabels rondom ontwikkelingssamenwerking ontdek je in het gratis boekje ‘Voorbij de borrelpraat’.